Humanistiek in debat?

Rector Hans Alma heeft een aantal leden van de UvH gemeenschap uitgenodigd om vandaag (21 februari) onder de titel ‘Humanistiek in debat’ hun visie te geven op ‘de kracht en zwakte van humanistiek als normatieve en levensbeschouwelijk geïnspireerde wetenschap’. Eerder bereikten ons al berichten over de censuur die voor medewerkers van de UvH geldt om een blamage als rond het boek van Ilja Maso te voorkomen. Voor zowel bijeenkomst als censuur geldt dat zij de crisis van de UvH eerder illustreren dan dat zij bijdragen aan een oplossing.
    Alma lijkt zich niet te beseffen dat het probleem niet zit in de uitingen in het openbaar van UvH medewerkers, maar in de goedkeuring van een onderzoeks- of onderwijslijn in een veel eerder stadium. Als Maso zijn boek op persoonlijke titel had gepresenteerd zonder steun van de UvH had Alma zich er direct van kunnen distantiëren. Nu geeft zij na alle debat nog altijd geen rekenschap van het feit dat Maso zijn onderzoek op kosten van de UvH heeft kunnen doen en dat de presentatie van dit onderzoek georganiseerd is door de UvH.
Een soortgelijke blunder is begaan met de benoeming vorig jaar van Dick Bierman tot bijzonder hoogleraar Bijzondere Ervaringen, een benoeming waar Maso zich sterk voor heeft gemaakt. De benoeming werd gelegitimeerd door te stellen dat Bierman zich niet zozeer bezig zou houden met onderzoek naar en onderwijs over bijzondere ervaringen zelf, maar met de manier waarop mensen deze ervaringen duiden. In de woorden van UvH hoogleraar Adri Smaling op human.nl: ‘De humanistische levensbeschouwing houdt zich bezig met existentiële vragen van mensen en daar horen bijzondere ervaringen ook bij in de huidige samenleving.’ Dit antwoord is zeer onbevredigend; vanuit dit perspectief komt in principe alles wat existentiële dimensies heeft in aanmerking om onderzocht te worden. Waarom wordt er gekozen voor de impact van bijzondere ervaringen op zingeving?  Er zijn veel vaker voorkomende niet-zo-bijzondere ervaringen met existentiële implicaties – van dementie tot aanwezig zijn bij een voetbalwedstrijd. Toch is er op de UvH voor de existentiële implicaties van bijzondere ervaringen gekozen – althans zo wordt ons voorgehouden.
    Uit de website van Bierman – www.parapsy.nl – blijkt  dat Bierman helemaal geen onderwijs geeft over de existentiële betekenis van bijzondere ervaringen. Bierman heeft het op de site over de mogelijk ‘parapsychologie te studeren aan de Universiteit voor Humanistiek’. Wie doorklikt naar de module die aan de UvH net van start is gegaan krijgt een overzicht van het materiaal en de onderwerpen. Die onderwerpen zijn ondermeer helderziendheid, poltergeisten, bijna dood ervaringen en telepathie. De cursus heet ‘Meaning of Exceptional Experiences’, maar uit de literatuur- en bijbehorende vragenlijst blijkt dat de hele module draait om het onderzoek naar buitengewone ervaringen – niet naar de betekenis die deze ervaringen voor personen hebben gehad. De titel verwijst naar de wetenschappelijke betekenis van buitengewone ervaringen. Juist die wetenschappelijke betekenis kan op de UvH niet worden vastgesteld. Biermans onderzoek vindt plaats op een grensgebied van de natuurkunde. Zijn module en onderzoek is door studenten en collega’s van de UvH niet te beoordelen, simpelweg omdat zij daar niet toe opgeleid zijn.
    De benoeming van Bierman en het toestaan van zijn onderwijs dat op dit moment wekelijks aan de UvH plaatsvindt is een uitstekend voorbeeld van de verwarring over wat humanistiek zou moeten zijn. De kans dat een bijeenkomst als ‘Humanistiek in debat’ verbetering in de situatie zou kunnen brengen is miniem. Zoals gebruikelijk is het een intern debat. De dialoog die zo hoog in aanzien staat op de UvH wordt alleen aangegaan met de eigen parochie. Wie kijkt naar recente bijdragen van de sprekers heeft evenmin reden tot vrolijkheid. Hoogleraar humanisme Peter Derkx kwam drie weken geleden bij de diesviering van de UvH nog eens met een reactie op het in december 2006 verschenen WRR rapport Geloven in een publiek domein dat Amanda Kluveld en ik indertijd al zeer kritisch hebben besproken. (Zie o.a. ‘Humanisme in crisis’ http://humanisme.web-log.nl/over_humanisme_en_humanis/2007/05/index.html) In zijn toespraak sluit Derkx aan bij de conclusie van de schrijvers van het rapport dat er een aanzienlijke groep Nederlanders is die een gevaar vormt voor de democratie omdat zij niet-religieus en niet-humanistisch zijn. Deze nihilisten – denk aan de aanhang van Wilders en Verdonk – kunnen op het moment dat het economisch slechter gaat een groot probleem worden; zij hebben namelijk weinig vertrouwen in de overheid, zijn geneigd tot eigenrichting, intolerant, op hun eigen groep gericht en hebben een kort lontje – aldus de auteurs in het nauwelijks onderbouwde WRR rapport. Het hebben van een levensbeschouwing biedt een oplossing tegen deze horde barbaren. Dat deze oplossing wordt aangedragen is geen wonder want vrijwel alle auteurs – onder wie Harry Kunneman – zijn verbonden aan levensbeschouwelijke instellingen en dus belanghebbenden. Geen wonder ook dat Peter Derkx enthousiast reageert op het rapport, want de analyse sluit naadloos aan op de nihilismethese van Jaap van Praag. Niet de emancipatiestrijd was de kern van het humanisme voor Van Praag maar de strijd tegen het nihilisme dat volgens hem in het ergste geval kon leiden tot fascisme. Dat de nihilismethese in historische kringen volstrekt achterhaald is en alleen de Paus het fascisme nog verklaart uit een gebrek aan (rooms-katholieke) levensbeschouwing doet niet ter zake. De conclusies van de WRR bieden immers een mogelijkheid om samen met andere levensbeschouwingen de aanhangers van Wilders en Verdonk te pacificeren en voor deze schone taak door de overheid gefaciliteerd te worden. Wat is er heerlijker dan je een verzetsstrijder in vredestijd te wanen? Het is in ieder geval een stuk makkelijker dan een echt gesprek aangaan over de toekomst van humanisme in Nederland. 

februari 21, 2008
By on 08:31
UvH ontbeert heldere visie op humanisme

In haar nieuwjaarsrede gaat rector Hans Alma in op de commotie rond het boek over onsterfelijkheid dat haar voorganger Ilja Maso in november 2007 presenteerde. ‘Humanisme is gericht op de intrinsieke waarde van het leven voor de dood’ stelt Alma. Dit is zo’n open deur dat het bijna zielig is dat dit de titel is van Alma’s lezing. De meeste religieuzen kunnen naar believen hun religie op de plaats waar nu het woord humanisme staat invullen. Zelfs Antoine Bodar gaf bij de presentatie van Maso’s boek aan dat men in het katholicisme niet meer zo bezig was met het leven na de dood; men richt zich liever op het leven hier en nu. Ook Alma’s verklaring over de rel rond het boek van Maso schiet tekort.
    Zij suggereert dat de ophef over Maso pas ontstaan is naar aanleiding van zijn interview in Trouw van 21 december waarin Maso laat weten vraagtekens te hebben bij het georganiseerde humanisme als levensbeschouwing en leer. Alma beweert dat Maso ‘dat waarschijnlijk niet zo bedoeld heeft.’ Zij heeft kennelijk niet de moeite genomen om Maso dat te vragen en schildert Maso hier af als een kind van vijf dat op de kleuterschool een tekening van een vriendje verpest heeft. Wie eerdere uitlatingen van Maso gezien of gelezen heeft ziet direct dat hij precies zei wat hij bedoelde. Maso heeft zijn woorden nergens teruggenomen. Hij heeft niet verklaard dat Trouw hem verkeerd geciteerd heeft en zijn uitspraken zijn geheel in lijn met eerdere beweringen. Zo zei Maso in een uitzending van Desmetlive bijvoorbeeld dat atheïsten helemaal niet in het Humanistisch Verbond hoorden, maar beter lid konden worden van de Vrije Gedachte en dat humanisme slechts een open manier van denken is. Atheïsme was volgens hem een ‘overblijfsel’ en de reacties van De Waal en Zunderdorp waren ‘droevig’. Op de website human.nl schreef Maso dat de site was ‘gekaapt’ door ‘een aantal fundamentalistische atheïsten’. Alma wil doen voorkomen dat Maso’s zogenaamd verkeerd begrepen woorden in het interview met Trouw het probleem zijn, maar dat interview was slechts de druppel die de emmer deed overlopen. Lodewijk de Waal en Rein Zunderdorp hadden niet voor niets al eerder zeer kritisch gereageerd en op de site van human had in de weken ervoor al een verhitte discussie gewoed.
    Alma neemt in haar nieuwjaarsrede geen afstand van Maso. Door te spreken van ‘een leven voor de dood’ suggereert zij bovendien dat er ook een leven na de dood is. Belangrijker is dat zij niet in wenst te gaan op de vraag waar het om draait, namelijk hoe het kon dat het onderzoek van Maso door de UvH gefinancierd en gefaciliteerd werd. Als het humanisme een ‘open levensbeschouwing’ is die gericht is op het leven voor de dood, blijft de vraag waarom een onderzoek naar het leven na de dood deel uit zou kunnen maken van het onderzoeksprogramma van de UvH. Alma geeft daar geen antwoord op. Zij betreurt het onderzoek van Maso niet, zij betreurt dat het zoveel kritiek heeft gekregen. Volgens Alma past Maso’s onderzoek kennelijk gewoon aan de UvH. Maso hoeft geen maatregelen te verwachten en kan rustig door gaan met het promoten van zijn bange senioren proza. Een heldere visie op wat humanisme, humanistiek en wetenschap zijn ontbreekt daarmee. Wat die visie ook is, in ieder geval past het werk van Maso erin.
    Voor mij is dat des te merkwaardiger omdat voor mij in 2007 ontslag werd aangevraagd omdat mijn promotieonderzoek over de politieke omgang met schuld aan nazi-misdaden in West-Duitsland in de ogen van het College van Hoogleraren van de UvH (voorgezeten door Ilja Maso en verder bestaande uit alle hoogleraren onder wie Peter Derkx en Hans Alma) onvoldoende humanistisch danwel onvoldoende humanistiek was. Men heeft kennelijk dus uitgesprokenere ideeën over wat humanisme en humanistiek zijn dan de vage lezing van Alma doet vermoeden. Mijn voormalig promotor Peter Derkx  – hoogleraar humanisme – onttrok zich aan de discussie over Maso met de mededeling dat hij het daar te druk voor had en ‘het boek niet gelezen had’. Maar mijn onderzoek hoorde volgens hem niet aan de UvH thuis; hij stelde alles in het werk om zijn collega’s daar eveneens van te overtuigen. In een bemiddelingsgesprek stelde Hans Alma mij de vraag of ik mijzelf nooit afvroeg of mijn onderzoek aan de UvH thuishoorde.
    Op ons blog suggereerde iemand eerder dat mijn mening gekleurd was omdat ik rancuneus zou zijn naar de UvH. Natuurlijk ben ik rancuneus ten aanzien van de UvH, maar ik heb daar ook alle reden toe: voor aio’s gelden niet alleen hele andere definities van humanisme dan voor hoogleraren, maar ook de sancties verschillen. Waar ik een half jaar lang door vrijwel iedereen van de UvH ben doodgezwegen, waar ik van Harry Kunneman te horen kreeg dat de ‘UvH er niet is om de hobby van mevrouw Schalkx te financieren’ , waar mijn copromotor – overigens zonder haar daar van in kennis te stellen – uit haar functie werd ontheven omdat zij mijn kant koos en waar voor mij uiteindelijk ontslag werd aangevraagd komt Ilja Maso er vanaf met de opmerking dat ‘humanisme gaat over het leven voor de dood’ en een afscheidsborrel als hij met pensioen gaat. Het conflict over mijn onderzoek aan de UvH gaat precies over de vraag waar men hier onderuit probeert te komen: wat is humanisme volgens de UvH en op grond waarvan wordt bepaald welk onderzoek er aan de UvH thuishoort? Daarop heeft de UvH nog altijd geen antwoord.

Rozemarijn Schalkx

januari 11, 2008
By on 21:11
With friends like these..

Universiteit voor Humanistiek schaadt humanisme

Zodra ik de kranten opensla zie ik kwesties die vragen om een scherpe reactie uit humanistische hoek. Of het nu gaat om de bemoeienis van de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind bij het abortusbeleid van de overheid, de klachten over een veronderstelde seksualisering van de samenleving, de oproep van de VVD om de hulp aan illegalen te bestraffen of om de opmerkingen van Job Cohen over de lege seculiere moraal die een voorbeeld kan nemen aan religies: een reactie is op zijn plaats. Op dit moment zijn maar weinig leden van de humanistische gemeenschap  bereid of in staat om die scherpe reactie te schrijven. Vooral de vertegenwoordigers van de academische wereld laten het hier afweten en dat is opmerkelijk omdat het georganiseerde humanisme in Nederland als enige ter wereld een eigen universiteit heeft die zichzelf tot doel heeft gesteld om actief bij te dragen aan het openbaar debat met een herkenbaar humanistisch geluid.  Dat is de Universiteit voor Humanistiek waar ik tien jaar aan verbonden ben geweest, eerst als student, later als aio.

De stem van de UvH dringt nauwelijks door tot het publieke debat. Van UvH hoogleraar Humanisme en Levensbeschouwing Peter Derkx heeft nog nooit iemand gehoord. Als de stem van de UvH wel doordringt blijkt men niet in staat tot een kritisch humanistisch geluid.
Dat bleek ondermeer bij het debat over de islam waarin UvH universitair docent Martien Schreurs liet weten dat wij niet alleen de dialoog moesten aangaan met moslims maar ook kritisch naar onze eigen cultuur moesten kijken. In de woorden van Schreurs
Maar wie genieten nu meer van de veelgeprezen vrijheid? De moslimmeisjes die zich bedekken met hoofddoekjes en boerka’s of de jonge westerse vrouwen die zich spiegelen aan pornografie? Het moslimmeisje wier huwelijk door haar ouders gearrangeerd wordt of het westerse meisje dat door haar ouders gepusht wordt een studie te kiezen die uitzicht biedt op een baan met status?
Ik ben zo’n jonge westerse vrouw en ik ben erg blij met mijn vrijheid. Minder blij word ik van een witte zelfingenomen wereldvreemde heteroseksuele man die bereid is mijn vrijheid in te leveren als dat de dialoog met moslims makkelijker maakt.
    UvH hoogleraar Nasr Abu Zayd tapt uit hetzelfde vaatje en schreef dit jaar een hoera-verhaal over hoe goed het gaat met de liberale islam. Het is jammer dat hij daar nauwelijks bewijs voor levert. Zelf spreekt Abu Zayd na 15 jaar nog geen Nederlands, wat betekent dat hij de Nederlandse maatschappij nauwelijks kan begrijpen. Abu Zayd is gevlucht uit Egypte vanwege zijn liberale standpunten, waaronder het omstreden idee dat de koran in zijn historische context bestudeerd moet worden. Als dat al een controversieel standpunt is, dan moet toch onder ogen gezien worden dat sommige vormen van de islam wereldwijd een bedreiging zijn voor mensen die niet-geloven. Wie zich ervan bewust is – zoals arabist Hans Jansen onlangs berichtte in de Volkskrant – dat Abu Zayd over de mensen die hem onderdak hebben verleend nog altijd in termen van ‘de vijand’ schrijft omdat zij geen moslim zijn, ziet dat er nog een lange weg te gaan is.    
    Nu gaat het mij niet om de vraag of de islam nu wel of niet liberaal kan zijn, maar om de vraag of de UvH op wil komen voor fundamentele humanistische waarden als vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en het recht van het individu om binnen de grenzen van de wet zijn of haar leven zin te geven zoals hij of zij dat wenst. Op dit moment is het antwoord op die vraag duidelijk ontkennend.
In reactie op een door Amanda Kluveld en mij geschreven artikel over deze crisis van het humanisme werd ons door universitair docent Joep Dohmen en voormalig hoogleraar Henk Manschot een platte moraal en een antireligieuze houding die tot wij-zij denken leidt verweten. Mij is nog altijd niet duidelijk hoe de stelling dat staat en kerk gescheiden moeten zijn tot polarisatie zou kunnen leiden. Die kans is een stuk groter als wetenschappers die zichzelf humanistisch noemen niet bereid zijn om onder ogen te zien dat er wel degelijk religieuze stromingen zijn die een bedreiging vormen, of het nu gaat om christendom of islam. Het niet serieus nemen van religie is een vorm van paternalisme die het humanisme zich niet kan veroorloven.
De lichtzinnige omgang met religie is niet de enige fout die de UvH maakt. Zij neemt het humanisme zelf niet serieus. Toen ik aan de UvH verbonden was viel mij op dat het humanistische gedachtegoed een ondergeschoven kindje was. Het curriculum stond vol met rijke middenklassehobbies als spiritualiteit, natuurbeleving en levenskunst. Toen ik in 2006 een module gaf waarbij ik met studenten in gesprek ging over wat humanisme moest zijn verzuchtte er een dat ik de eerste was die daar aandacht aan besteedde. Dat dit geen particuliere observatie was bleek uit een intern rapport van de UvH zelf waarin werd opgemerkt dat humanisme een taboe onderwerp was. Zo’n taboe dat niemand kennelijk opgemerkt heeft dat het merkwaardig is om een hoogleraar parapsychologie aan te stellen aan een humanistische universiteit, zoals dit jaar gebeurde.
Hoe ver weg het humanistisch gedachtegoed op de UvH is weggestopt blijkt wel uit het zojuist verschenen boek van voormalig rector professor Ilja Maso, getiteld ‘Onsterfelijkheid, van twijfel naar zekerheid’. Het boek wordt 29 november op de UvH besproken in gezelschap van een parapsycholoog en priester Antoine Bodar. Maso stelt in zijn boek dat er leven na de dood moet bestaan, omdat hij niet kan leven met het idee dat het na de dood echt afgelopen is. Tja, als het onvermogen om met de dood in het reine te komen een excuus wordt voor zogenaamde wetenschap, dan kun je de universiteit wel opheffen.

Met vrienden als de UvH heb je geen vijanden meer nodig. Omdat de andere humanistische organisaties samen met de UvH in de Humanistische Alliantie zitten lopen zij het risico dat zij worden aangekeken op de hersenspinsels van de zelfbenoemde wereldburgers van de UvH. Eerder dit jaar gebeurde dat al toen Afshin Ellian beweerde dat Martien Schreurs namens het humanisme sprak. Zolang vertegenwoordigers van andere humanistische organisaties de UvH niet bekritiseren blijft de indruk bestaan dat humanisme in Nederland naïef, pseudo-religieus en volstrekt achterhaald is. Een speciale taak ligt hier voor Rein Zunderdorp. Niet alleen is hij bestuurslid van de stichting Universiteit voor Humanistiek, maar ook werft zijn Humanistisch Verbond leden met de slogan: zonder uw hulp is het humanisme aan de goden overgeleverd. Op de Universiteit voor Humanistiek is dat al lang gebeurd.

                                                                                                                                        Rozemarijn Schalkx

november 25, 2007
By on 11:54
Reactie op de rede van Hans Alma bij de opening van het academisch jaar van de Universiteit voor Humanistiek (17-9-2007)

‘Weimar en Buchenwald zijn in mijn beleving komen te staan voor de rijkdom van de menselijke geschiedenis, en de ontaarding en vervalsing daarvan. (…)Weimar en Buchenwald (…) hebben mij opnieuw doen beseffen hoe belangrijk historisch bewustzijn en kritisch onderscheidingsvermogen zijn,’ stelt Hans Alma, de rector van de Universiteit voor Humanistiek in haar rede bij de opening van het academisch jaar. Alma geeft aan dat Auschwitz en Buchenwald het humanisme dwingen tot een kritische reflectie op de eigen grondslagen.
     Dat is een reeds vaak getrokken conclusie waar een keur aan denkers zich op een veel kritischere en beter doordachte manier dan Alma mee bezig hebben gehouden. Dit op zich is uiteraard geen reden waarom de nieuwe rector daar niet het hare aan zou mogen toevoegen. De wijze waarop zij dat doet, is evenwel onder de maat. Zo wordt duidelijk dat de nieuwe rector van de UvH het niet nodig heeft gevonden om kennis te nemen van de actuele geschiedschrijving over concentratiekampen en kampslachtoffers. Daar ligt Alma’s interesse ook niet.  Zij wil maar een ding, het verleden naar haar hand zetten en een verhaal over de Holocaust vertellen met een goed einde en daarmee een goede uitkomst voor het humanisme.
    Zo gaat Alma voor haar kritische reflectie te rade bij slechts één bron, het boek van de humanistische psychotherapeut en Holocaust overlevende Viktor Frankl, ‘Trotzdem Ja zum Leben sagen’. Frankl verloor in de oorlog zijn ouders, broer en echtgenote. Hij is beroemd geworden door zijn stelling dat – in de woorden van Alma – ‘de mens zelfs in de donkerste ogenblikken de vrijheid behoudt om een houding te kiezen ten opzichte van zijn of haar lot.’ Alma ziet het ‘als de kracht van het humanisme van iemand als Frankl dat hij ondanks zijn ervaringen in de mens blijft geloven, ‘ja’ tegen het leven zegt, en mensen oproept tot een engagement dat henzelf overstijgt.’
     Alma’s keuze voor Frankl is ongelukkig. Frankl is een van de weinige overlevenden die in staat was om in een volslagen zinloos systeem zin te vinden. Hij heeft zelfs beweerd dat hij in de kampen dieper in God is gaan geloven. Frankls positie is uitzonderlijk en door deze centraal te stellen gaat Alma gemakkelijk voorbij aan volstrekt tegengestelde meningen van overlevenden. Zo schrijft Primo Levi in zijn boek De Verdronkenen en de Geredden (1991) over de kampslachtoffers: ‘door de ontberingen die ze te verduren hadden, vervielen ze in enkele weken of maanden tijd tot een staat waarin niets meer telde dan overleven, een staat van dagelijkse strijd tegen honger, kou, uitputting en mishandeling waarin er voor keuzes (en in het bijzonder morele keuzes) geen enkele ruimte was; slechts heel weinigen van hen hebben die beproeving doorstaan, door een samenloop van vele onwaarschijnlijke omstandigheden; ze zijn kortom gered door geluk (..)’
    Alma’s rede laat geen ruimte voor het overgrote deel van de overlevenden die  geen enkele zin konden vinden in hun kampbestaan. Door Frankl als symbool voor de overwinning van het humanisme neer te zetten, laat Alma onbesproken dat de meeste slachtoffers van de Holocaust geen enkele mogelijkheid hadden om zin te vinden binnen het concentratiekampsysteem. Zij werden binnen enkele uren nadat zij in een vernietigingskamp aankwamen vergast en hadden niet de vrijheid die Frankl ervoer. De keuze voor Frankl verraadt Alma’s tunnelvisie; zij lijkt zich niet eens te realiseren hoe atypisch Frankls positie vergeleken bij die van andere overlevenden is of vindt dat niet belangrijk genoeg om te vermelden.
    De keuze voor Frankl is ook om een andere reden dan zijn visie op de Holocaust opmerkelijk. Alma heeft niet de moeite genomen om de kritische bronnen over Frankl te raadplegen. Zij omzeilt zo het gegeven dat Frankl selectief was in zijn herinneringen en dingen heeft gedaan die niet passen bij het door Alma geschetste beeld van een held van het humanisme, ‘wiens engagement zich uitstrekt buiten hemzelf’. Zo heeft Frankl zich toen hij van 1940 tot halverwege 1942 werkzaam was in het Rothschild Ziekenhuis voor joodse patiënten, schuldig gemaakt aan medische experimenten op patiënten die gepoogd hadden zich van het leven te beroven om aan deportatie te ontsnappen. Wanneer deze patiënten door de artsen voor dood werden gehouden nam Frankl de gelegenheid te baat om te proberen deze mensen wederom tot leven te wekken door ondermeer het geven van injecties in de hersenen en ingrijpende hersenchirurgie. Het lukte Frankl niet om de patiënt langer dan een dag in leven te houden en dat is niet verwonderlijk. Frankl was niet opgeleid als hersenchirurg.
    Frankl suggereert in zijn boek dat Alma in Buchenwald kocht, dat hij maandenlang in Auschwitz zat, terwijl zijn verblijf daar maximaal drie dagen was. Hij schrijft over dingen in Auschwitz die hij niet meegemaakt kan hebben. Zo beschrijft hij de rustige, beheerste manier waarop volgens hem mensen in de gaskamer hun dood tegemoet gingen. Bij Frankl zijn de slachtoffers stoïcijnse helden die zingen, bidden en rustig afwachten tot het Zyklon-B in de gaskamer naar beneden wordt gegooid. Een dergelijke geromantiseerde weergave is begrijpelijk; wie weet dat zijn moeder vergast is, zal troost in de gedachte kunnen vinden dat zij in rust en vrede stierf, in plaats van in pijn en in paniek. Alma accepteert als psycholoog en als academicus alles wat Frankl beweert zonder enige kritisch onderscheidingsvermogen en zonder enig historisch bewustzijn als bewijs voor de stelling dat er zelfs in de meest verschrikkelijke situaties zin te vinden is. Daarmee zet zij de geschiedenis naar haar hand en dat is in de context de Holocaust zondermeer onsmakelijk. 
    Terwijl zij in de ene zin nog stelt hoe gevaarlijk het is om ‘ongefundeerde parallellen te trekken tussen uiteenlopende situaties, personen en denksystemen’ en verwijst naar de ‘uitglijders’ die er op dit moment op dit gebied worden gemaakt in de discussie over de islam in Nederland, maakt Alma slechts enkele zinnen erna zonder blikken of blozen zelf zo’n ongefundeerde vergelijking. Volgens haar kun je uit de geschiedenis leren ‘dat beschaving kan omslaan in barbarij, dat populisme en vijanddenken gebaat zijn bij zwart-wit schema’s en karikaturen, en dat het zwartmaken en uitsluiten van groepen mensen griezelige manieren zijn om met eigen gevoelens van onveiligheid en onmacht om te gaan.’ Alma impliceert hiermee dat het hedendaags populisme even gevaarlijk zou zijn als het nazisme van de jaren dertig.  Maar de situatie van het Nederland anno 2007 is op geen enkele manier te vergelijken met Duitsland in de nazi-tijd. De wijze waarop Alma lessen uit het verleden meent te kunnen leren is plat en onverantwoordelijk. Haar absurde vergelijkingen maken deel uit van dezelfde zwart-wit schema’s en karikaturen waar de rector van de UvH zich tegen teweer zegt te stellen.
     Aan het einde van haar rede beweert Alma dat het de taak is van de humanistiek om ‘het zelfkritisch vermogen van het humanisme te versterken, door eigen waarheidsclaims en normativiteit te bevragen.’ Als deze rede, die gekenmerkt wordt door intellectuele luiheid, plat moralisme, manke rederingen, een groot gebrek aan historisch bewustzijn en een totale afwezigheid van kritisch onderscheidingsvermogen, typerend is voor dat zelfkritisch vermogen dan valt het ergste te vrezen voor de Universiteit voor Humanistiek. De geschiedenis is er in ieder geval niet veilig.
    Het was dezelfde Hans Alma die vorig jaar van mening was dat mijn promotieonderzoek naar de debatten in de Duitse Bondsdag over nazi-misdaden in de jaren zestig en zeventig, niet humanistiek genoeg was om door de UvH langer gefinancierd te worden. Nu is duidelijk waarom. Een onderzoek naar dit onderwerp zou alleen humanistiek genoeg zijn als het, zoals in haar rede gebeurt, de geschiedenis zodanig zou vertellen dat het goed nieuws voor het humanisme bevat en de overwinning van de door haar omarmde spiritueel humanistische zingeving zou verkondigen. Maar over de Holocaust valt geen goed nieuws te melden. Ook niet voor het humanisme. Het humanisme zou pas volwassen zijn en uit haar crisis kunnen komen, als het dit zou durven erkennen. De rector van de UvH is daartoe niet bereid en daarin toont zich precies de ware crisis van de humanistiek. De UvH maakt wetenschap ondergeschikt aan levenbeschouwing en bewijst daarmee zowel de wetenschap als het humanisme een slechte dienst.

Rozemarijn Schalkx

september 17, 2007
By on 19:52
De angst voor een wilde horde cultuurlozen (23-6-2007)

Harde bewijzen dat een doorgeslagen individualisme desamenleving ondermijnt zijn er niet. Toch heeft het huidige kabinet deneiging om deze cultuurpessimistische boodschap over te nemen, menenhistoricus Amanda Kluveld en publicist Rozemarijn Schalkx.’Particuliere doembeelden mogen voor een regering nooit aanleiding zijnom de vrijheid van burgers in te perken.’

Tijdens de laatste kabinetsformatie werd volgens informateur HermanWijffels iedere verwijzing naar individuele ontplooiing enindividualisering uit de conceptteksten voor het regeerakkoordgeschrapt. In de achterbannen van het CDA en de ChristenUnie bestaat,zei Wijffels, ‘een heel sterk negatieve duiding van individualisering’.Zij associëren het begrip met teloorgang, verloedering, losbandigheiden onverschilligheid. Wouter Bos, de derde aan tafel bij deonderhandelingen, dacht er niet veel anders over.

Gebrek aan bemoeienis
Het schrappen van de woorden ligt in het verlengde van dekabinetsplannen om ’iets anders’ te doen dan de vrijzinnige paarsekabinetten van de jaren negentig – zoals André Rouvoet in april ditjaar in Trouwuiteenzette. De minister voor jeugd en gezin voelt zich daarbijgesteund door de samenleving die genoeg nadelen zou hebben ondervondenvan de eenzijdige nadruk op eigen verantwoordelijkheid, individuelevrijheid en het gebrek aan bemoeienis met moraal.

Rouvoet heeft met zijn anti-individualistische standpunten demaatschappelijke wind mee. Als we hem mogen geloven smeektenNederlanders tijdens de honderd dagen periode van het kabinet om eenoverheid die grenzen aan hun persoonlijke vrijheid stelt. De voormanvan de Christenunie wordt bovendien gesteund door cultuurpessimistenvan verschillende politieke signatuur. Zo pleitte PvdA-kamerlid JeroenDijsselbloem onlangs voor maatregelen tegen de ’uitwassen van deindividualisering’. De overeenkomst met de visie van Rouvoet bleef nietonopgemerkt. Dijsselbloem werd door de jongerenorganisatie van deChristenUnie verkozen tot ’Engel van het jaar’ omdat hij zich alspoliticus van een niet-christelijke partij het meest laat leiden doorbijbelse normen en waarden.

Spruitjeslucht en betutteling
Het nieuwe anti-individualisme waarbinnen christenen, conservatieven enlinks elkaar vinden, kent opvallend weinig tegenstanders. Onder eenminderheid die wel hecht aan individuele vrijheid is volgens Rouvoetpaniek uitgebroken. Deze critici en columnisten maken volgens hem hetkabinetsstandpunt met aanduidingen als ’spruitjeslucht’ en’betutteling’ tot karikatuur.

Maar de bezwaren tegen het individualisme worden geschetst met behulpvan karikaturen die vele malen uitzinniger, grotesker enapocalyptischer zijn dat het woord spruitjeslucht. Het individu metzijn verworven vrijheden is verantwoordelijk voor zinloos geweld,ongebreideld consumentisme, de sceptische, nihilistische houding van dejeugd, de teloorgang van deugden als rechtschapenheid,verantwoordelijkheidsbesef, gemeenschapzin en eergevoel. Daarnaast zouhet individualisme belastingontduiking, drank- en drugsmisbruik,cocaïnesmokkel, de ontheiliging van seks, huwelijk en gezin alsmede deondergang van cultuur en samenleving veroorzaken.

Dergelijk merkwaardige gevolgtrekkingen vinden we ook terug in het boek’Tijd van onbehagen’ (2004) van Ad Verbrugge. De aan de VU verbondenfilosoof levert belangrijke bijdragen aan het huidigeanti-individualistische debat. Tot zijn bewonderaars behoren decabaretier Theo Maassen, die de filosoof als een zielsverwant typeerde,zijn collega Freek de Jonge die ’Tijd van onbehagen’ als steun entoeverlaat omschreef, en SP-leider Jan Marijnissen, die Verbrugge graagals minister van onderwijs zou zien.

Paniekerige analyses
Wat maakt het anti-individualisme van Verbrugge, Dijsselbloem enRouvoet zo aantrekkelijk? Allereerst het simplisme ervan. De suggestiewordt gewekt dat het dempen van de bron van individuele vrijheid zoweltot het verdwijnen van allerlei kwaden leidt als tot de terugkeer vanhet goede, waar een harmonieuze gemeenschap en cultuur toe wordengerekend. Een overzichtelijke verdeling van de wereld in goed en kwaadspreekt aan. Bijna niemand lijkt erom te malen dat de paniekerigeanalyses en bijbehorende roep om paal en perk te stellen aan dedoorgeslagen individuele vrijheid op geen enkel wetenschappelijkonderzoek zijn gebaseerd.

Geen bewijs
Zo beweert Dijsselbloem dat de afbraak van het zuilenstelsel en deindividualisering leiden tot het verloren gaan van waarden en normen,zedelijk verval en de teloorgang van het gemeenschapsdenken. Bewijslevert hij niet. Verbrugge baseert zijn beweringen over het verval vancultuur en gemeenschap eveneens louter op persoonlijke gevoelens enobservaties zoals hij in het voorwoord van zijn boek zonder gênetoegeeft. ‘Dit boek is dus niet een objectief verslag vansociaal-empirisch onderzoek van wat er leeft en gebeurt onder demensen. Het richt zich veeleer op de ’innerlijke’, en dus uiteindelijkook alleen ’subjectief’ te vatten tendensen.’ Wat Verbrugge over desamenleving beweert is dus waar omdat hij denkt dat het waar is. Dewaarde die Verbrugge toekent aan zijn verzameling hoogst persoonlijkeobservaties, doet vermoeden dat hij, net als zijn bewonderend publiek,zelf bevangen is door het zo versmade individualisme en de daaruitvoortvloeiende neiging om alleen de eigen gevoelens als richtinggevendte beschouwen.

Gepeupel
Een ander aantrekkelijk kenmerk van het anti-individualisme is deafschuw van de grote cultuurloze massa of, in de woorden van Verbrugge,’het gepeupel’. De massa wordt afgeschilderd als een wilde hordecultuurlozen. Door de democratisering heeft deze massa vrijhedenverworven die alleen de elite – de aanvoerders van het debat over deslechte kanten van het individualisme zelf dus – kan hanteren. ‘Hoeveelvrijheid zijn wij met zijn allen bereid op te geven om hen die minderaankunnen te helpen’,  vroeg Dijsselbloem in zijn kruistocht tegen degewelddadige en seksueel getinte videoclip. ‘Als ik meisjes vanvijftien jaar voor een groepsverkrachting behoed door genoegen te nemenmet gecensureerde MTV-clips, dan heb ik dat er graag voor over.’ Andersgezegd: anderen kunnen het kijken naar videoclips niet aan,Dijsselbloem wel.

Hoeder en herder
Het anti-individualisme drijft op het ressentiment van een elitewaarnaar minder geluisterd wordt en waaraan minder een voorbeeld wordtgenomen dan deze terecht acht. De behoefte om hoeder en herder te zijnvan de massa zwakke broeders uit zich bij de tegenstanders vanindividualisme in een grote paniek over de huidige seksuele moraal.Dijsselbloem pleitte voor het aan banden leggen van feesten waarjongeren porno bekijken en waar seks wordt bedreven. Seksualiteit moetvolgens de PvdA’er ’kwetsbaar en kostbaar’ blijven. Anderen moetenkennelijk tot eenzelfde gevoeligheid gedwongen worden.

Eerder pleitte Verbrugge voor een terugkeer naar ’bezielde enspirituele seksualiteit’. Hij beklaagde zich bovendien over deontheiliging van het huwelijk als verbond dat man en vrouw bindt en hunparticuliere welzijn overstijgt.

Mythisch beeld
Dit brengt ons op een volgend kenmerk dat het anti-individualismeaantrekkelijk maakt: het drijft op een mythisch beeld van voorbijetijden, van een vroeger waar alles nog goed was: de heiligheid van hethuwelijk, de bezieldheid van seks, de harmonie van een gemeenschap, dekracht van de cultuur. De huidige tijd steekt volgens deanti-individualisten altijd ongunstig af bij dat imaginaire verleden.Zo schrijft Verbrugge: ‘In plaats van de vervelende en brave buurtenuit de jaren vijftig hebben we nu inderdaad veelkleurigeachterstandswijken gekregen maar of die nu een culturele verrijkingzijn geworden is zeer de vraag. Zat in de jaren vijftig de ’autoritairevader’ aan het hoofd van de tafel en moesten de kinderen zich voegen ineen burgerlijke discipline, nu verdwijnt de eettafel uit de leefwerelden zit men ’s avonds zappend voor de tv zijn magnetronmaaltijd naarbinnen te werken. Is dit vooruitgang?’

Verbrugges analyse van het verleden blijkt niet gebaseerd op enigonderzoek en is eerder nostalgisch dan accuraat. ’De jaren vijftig’kenden niet, zoals Verbrugge beweert, uitsluitend brave buurten. Erwaren probleemwijken die toen achterbuurten werden genoemd en er warenasociale bewoners, de ’onmaatschappelijken’. Zij werden toen net zogoed als probleem ervaren. Een conferentie over het maatschappelijkonaangepaste gezin in 1953 werd door meer dan 900 professionalsbezocht.

Gelukkigste kinderen
Wie kijkt naar de cijfers over veiligheid van de afgelopen tien jaarontdekt dat er juist sprake is van een afname van de dooranti-individualisten genoemde gesels van de moderne tijd. Het aantalgevallen van moord en doodslag is gedaald. Mensen voelen zich nietalleen veiliger, het ís de afgelopen jaren ook veiliger geworden. DeNederlander is in de jaren negentig gemiddeld harder gaan oordelen overbelastingontduiking en sociale zekerheidsfraude. Uit onderzoek vanUnicef blijken Nederlandse kinderen tot de bestverzorgde en gelukkigstekinderen van de rijke landen te behoren. Ook van onverschilligheid tenaanzien van medemens en milieu is weinig te merken. Mensen geven graagen veelvuldig aan goede doelen.

Kuddedier
Met het individualisme valt het bovendien erg mee. ‘De hedendaagseburger is niet minder maar zelfs iets meer een kuddedier dan de burgervan dertig jaar geleden’, zei bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingenPaul de Beer in 2004. Ook wat het eten aan tafel betreft, is de zorgvan Verbrugge ongegrond. Twee jaar voordat Verbrugges boek uitkwambleek dat 85 procent van de Nederlanders de warme maaltijd aan tafeleet. Het aantal kinderen dat met het bord op schoot naar de televisiekijkt neemt toe, maar het aantal uren dat jongeren televisiekijkenneemt af, zoals onlangs uit onderzoek bleek. Jongeren zijn actievergeworden op internet. Ze onderhouden er contacten met kleinegemeenschappen van leeftijdgenoten. Atomistisch is dat zeker niet.

Verbrugge heeft overigens niet de moeite genomen om de schadelijkheidvan televisiekijken onder het eten aan te tonen. Die staat voor hemvast. Deze argwanende en angstige houding ten opzichte van het fenomeentelevisie en het onvermogen om populaire beeldcultuur te lezen, iskenmerkend voor de deelnemers aan de strijd tegen individualisering.

Dikke-ik
Een voorbeeld van dit onvermogen tref je aan in ’Voorbij het dikke-ik’(2005) waarin filosoof Harry Kunneman zich beklaagt over de opmars vanhet volgevreten, autonome individu dat lomp gedrag vertoont, anderenopzij duwt, onverzadigbaar en zelfingenomen is. Kunneman opent met debeschrijving van een reclamespotje waarin een aantrekkelijke vrouw ineen supermarkt bierflesjes probeert te bemachtigen die voor haar tehoog op het schap staan. Er komt een knappe jongeman aan, die er wélbij kan. De vrouw kijkt hem verwachtingsvol aan, de man pakt deflesjes, kijkt de vrouw met een neutrale blik aan en loopt verder „haaralleen latend met het door haar begeerde maar onbereikbare bier”. Hetspotje illustreert volgens Kunneman treffend dat ‘de ruimte vanpersoonlijke ontwikkeling gedomineerd wordt door krachten die duwennaar een leven in het teken van concurrentie en prestatie’.

Aantrekkelijke vrouw
Dat is heel wat om in het spotje te willen lezen. Kennelijk komt hetbij de filosoof niet op dat deze reclame succesvol was omdat er iets ingebeurt dat niet voor de hand ligt en daarom de aandacht van de kijkertrekt. Was het gedrag van de jongeman volkomen normaal in desamenleving, dan zou er nooit een spotje van zijn gemaakt. Bovendien ishet Kunneman niet opgevallen dat de ’aantrekkelijke vrouw’ dewereldberoemde actrice Jennifer Aniston is en dat dit onderdeel van degrap is.

Eenzelfde onhandigheid in het duiden van populaire cultuur vinden webij Dijsselbloem en zijn PvdA-collega Martijn van Dam. Zij stellen dathet beeld van seks als consumptieartikel ’er dag in dag uit ingeramdwordt’, zowel in videoclips als in reclames. En ze beweren dat er eendirect verband is tussen televisie en groepsverkrachtingen. Nergensnoemen zij onderzoek dat dit aantoont.

TMF
Als zij de moeite zouden nemen om een dag TMF te kijken, zouden zeweten dat het merendeel van de videoclips de romantische liefdeverheerlijkt. En wat betreft de schadelijke invloed van televisie op dejeugd: groepsverkrachtingen vonden ook plaats in pre-industrieel Europadat geen televisie kende, waar de gemeenschap sterk was en nietgeseksualiseerd door commercie, en waar de cultuur, volgens de doorVerbrugge veelvuldig bewonderend aangehaalde Oswald Spengler(1880-1936), veel ‘vitaler’ was en het huwelijk heiliger. HistoricusPieter Spierenburg laat zien dat alleen al in Dijon tussen 1436 en 1486zo’n 125 rituele verkrachtingen werden onderzocht. Tachtig procentervan betrof collectieve aanranding door een groep jongeren. In de’brave’, televisieloze periode rond 1950 waren in Nederland decriminaliteitscijfers weliswaar de laagste van na de oorlog, maarvolgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek was er nognooit zoveel ontucht met kinderen, incest en schennis van de openbareeerbaarheid geweest.

Eensgezindheid over moraal
Voor ieder cijfer kun je een ander cijfer geven. Dat neemt niet weg datde tegenstanders van individuele vrijheid niet eens een poging wagenzich te baseren op onderzoek. Als zij dat wel deden, zouden ze wetendat uit onderzoek naar individualisering blijkt dat er in Nederland eengrote overeenstemming bestaat over normen en waarden. De populariteitvan de doembeelden over onze cultuur kan voor een groot deel verklaardworden uit precies die eensgezindheid over moraal. Zowel hetWRR-rapport ’Normen, waarden en de last van het gedrag’ (2003) als hetSCP-rapport ’De moraal in de publieke opinie’ (2004) concludeerde datNederlanders van zichzelf vinden dat zij uitstekend weten wat hetverschil is tussen goed en kwaad. Zij zijn vooral kritisch over hetgedrag van hun landgenoten. De zorg om andermans moraal bleek andermaaluit het dit jaar verschenen rapport ’God in Nederland’, waaruit bleekdat veel Nederlanders de kerken van belang achten voor normen enwaarden. Aan christelijke normen en waarden hebben ze zelf geenbehoefte, die vinden ze vooral belangrijk voor anderen.

Ondergangsfantasieën
Verbrugge en consorten passen met hun hersenspinsels,ondergangsfantasieën en zelfgenoegzame weigering om zich op onderzoekte baseren, naadloos in dit verhaal.

Een en ander zou hooguit aanleiding zijn tot ergernis overintellectuele luiheid en populisme – ware het niet dat het huidigekabinet eveneens bevangen is door de angst voor individuele vrijheid enverloedering. In het onlangs gepresenteerde beleidsprogramma van hetnieuwe kabinet is bijvoorbeeld gehoor gegeven aan Dijsselbloems en VanDams roep om de kwetsbare jeugd te beschermen. Het hoofdstuk getiteld’Veiligheid, stabiliteit en respect’ kondigt gedragscodes vooraudiovisuele media aan die ‘een dam moeten opwerpen tegen verloederingin onder meer realityprogramma’s en videoclips’.

Nostalgische cultuurpessimisten
Maar politici moeten zich niet bemoeien met de beleving vanseksualiteit en ze moeten burgers niet ongewenst intiem en onsmakelijklastigvallen met hun particuliere verlangens naar kwetsbareseksualiteit. Bovendien mogen particuliere doembeelden voor eenregering nooit aanleiding zijn om de vrijheid van burgers in te perken.Het kabinet wenst de behoefte van burgers aan en het belang vanindividuele vrijheid te negeren door iedere verwijzing naarindividualisering en individuele ontplooiing uit het regeerakkoord teschrappen. Deze cosmetische ingreep wijst erop dat de regering zichlaat leiden door het geweeklaag van nostalgische cultuurpessimisten.Daartegen moet het individu met alle toegestane middelen in het geweerkomen, daarbij gesteund door het parlement en beschermd door eenseculiere neutrale staat.

Dr. Amanda Kluveld en drs. Rozemarijn Schalkx zijn respectievelijk historicus en publicist. Dit artikel verscheen eerder in Trouw op 23 juni 2007.


juni 23, 2007
By on 20:21
Het Nederlands humanisme is een crisis op klompen (30-5-2007)

In een reactie op onze stelling dat humanisten niet moeten aanschurken tegen religies (de Volkskrant, Betoog, 5 mei) beweren Joep Dohmen en Henk Manschot dat wij met ons pleidooi voor een seculier liberaal humanisme de kloof tussen ‘wij’ en ‘zij’ in de samenleving vergroten (Betoog, 26 mei).

In plaats van te strijden voor de belangen van ongelovigen zou het humanisme volgens deze filosofen samen met religies, onfatsoen, hedonisme en fundamentalisme moeten tegengaan. Voorwaarde daarvoor is volgens hen wel dat wij ons niet te hard afzetten tegen religie. Eerder verkondigde de humanistische filosoof Martien Schreurs hetzelfde (de Volkskrant, Forum, 26 april). Schreurs zette Afshin Ellian weg als opruier en beweerde dat het islamisme zoals beschreven door Karen Jespersen en Rolf Pittelkow geen probleem vormt, omdat wij toch allen wereldburgers zijn. Moslimfundamentalisten zijn volgens Schreurs in de eerste plaats slachtoffers die met begrip moeten worden benaderd.

Naïeve Sesamstraatkijk
Om deze de naïeve Sesamstraatkijk op religie in stand te houden, negeren Dohmen, Manschot en Schreurs, de werkelijkheid van de cartoonrellen door islamieten, de bedreiging van het homohuwelijk vanuit christelijke hoek in Nederland of de rooms-katholieke visie op abortus. Verwijzend naar ‘de heilige’ van het humanisme, Martha Nussbaum, weigeren de humanisten te erkennen dat wereldwijd vanuit religieuze overwegingen mensenrechten worden geschonden. In plaats van zich in al hun wereldwijsheid solidair te verklaren met de slachtoffers van religieuze onderdrukking, kiezen de humanistische filosofen voor een pro-religieuze houding.

Het enthousiasme van Dohmen en Manschot voor religies en levensbeschouwingen in het Midden-Oosten en Azië doet vrezen dat de daar veelvoorkomende schendingen van de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting door religies (inclusief de seculiere religie van het communisme) in hun visie acceptabel zijn en uit respect voor andere culturen niet bekritiseerd mogen worden. De Universiteit voor Humanistiek waar zij aan verbonden zijn, is er zelf niet vies van zich op basis van haar levensbeschouwelijkheid onverdraagzaam en antiwetenschappelijk op te stellen. De UvH vroeg zelfs ontslag aan voor Rozemarijn Schalkx omdat haar promotieonderzoek naar de debatten over de verjaring van nazi-misdaden in de Duitse Bondsdag niet humanistisch zou zijn. Kennelijk heeft de UvH zich laten inspireren door voorbeelden uit de rooms-katholieke geschiedenis van excommunicatie en inquisitie.

Bestrijders van God
Dohmen en Manschot noemen ons ‘bestrijders van God’ omdat wij vinden dat alleen in een neutrale seculiere staat pluriformiteit en democratie gewaarborgd worden. Wij verdedigen het recht om niet religieus te zijn, keren ons tegen religieuze en levensbeschouwelijke inmenging in het persoonlijk leven en zijn voor de scheiding van kerk en staat. Volgens de humanisten is dat pochen met een platte moraal. Dohmen en Manschot wijzen erop dat taoïsten in China in de strijd tegen de dictatuur niets aan onze vermeende strijd tegen God hebben.

Hier toont de crisis van het humanisme zich in een vertekend zelfbeeld. Dohmen en Manschot suggereren dat hun UvH een antwoord heeft op de fundamentele zingevingproblematiek en the clash of civilisations en dat het Nederlandse humanisme stevig bijdraagt aan het mondiale debat over politiek, moraal en zingeving, met invloed tot in India en China toe. Dat is geen pochen, dat is grootheidswaan die doet denken aan het mopje over de olifant en de muis die samen de klompendans uitvoeren, waarbij de muis trots uitroept: wat stampen we hard hè?

Dohmen en Manschot kiezen voor een pro-religieuze koers van het humanisme omdat zij liever een ‘humanisme in crisis’ zien dan een humanisme op klompen. Een keuze hoeven zij niet te maken. Het Nederlandse humanisme is een crisis op klompen. Wij laten het aandoenlijk op het wereldtoneel stampende muisje verder maar in zijn waan.

Amanda Kluveld is historicus. Rozemarijn Schalkx was tot voor kort verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek

   

mei 30, 2007
By on 21:20
Humanisme in crisis (5-5-2007)

Onderstaand opiniestuk over humanisme als levensbeschouwing verscheen eerder in de Volkskrant van 5 mei 2007.

Gevaarlijke nihilisten
De oprichter van het Humanistisch Verbond, Jaap van Praag, stelde in 1947 dat het gevaar bestond dat de ontkerkelijking resulteerde in een vlucht in fascisme.Hij wilde buitenkerkelijken middels het Verbond geestelijk onderdak bieden en strijden voor hun emancipatie.; Die emancipatie is geslaagd, maar volgens Amanda Kluveld en Rozemarijn Schalkx is de humanistische beweging nu weer terug bij de fascisme-analyse van Van Praag. Vanwege het gevaar van ‘nihilistische sociaal onverdraagzamen’, zoals Geert Wilders, willen de humanisten een moreel monsterverbond met gelovigen aangaan, aldus de observatie van Kluveld en Schalkx. Het humanisme zou juist moeten waarschuwen voor zulke pretenties van gelovigen, vinden ze.

Het Nederlandse georganiseerde humanisme verkeert in crisis. Het lukt humanistische organisaties niet om meer dan een klein deel van de humanistenaan zich te binden. Het in 1946 door Jaap van Praag opgerichte Humanistisch Verbond heeft nooit veel meer leden dan vijftienduizend gehad. Nu is het Humanistisch Verbond dusdanig vergrijsd dat iedere griepgolf met angst en beven tegemoet wordt gezien. De humanistische omroep krijgt steeds minder zendtijd, het tijdschrift de Humanist verkeert al jaren in moeilijkheden. Uit onderzoek onder medewerkers van de Universiteit voor Humanistiek blijkt dat zij praten over wat humanisme eigenlijk betekent als taboe ervaren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het de Universiteit voor Humanistiek niet lukt enige bijdrage van betekenis te leveren aan het publieke debat.

Het Humanistisch Verbond verkoopt zichzelf met de atheïstische slogan ‘Zonder uw steun is het humanisme aan de goden overgeleverd’, met een opleving in het ledental tot gevolg. De leus is evenwel misleidend. Gelovigen worden door het georganiseerd humanisme juist steeds meer als bondgenoten gezien. Harry Kunneman, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek en voormalig voorzitter van de Humanistische Alliantie (het samenwerkingsverband van humanistische organisaties), formuleert het als volgt. ‘Het gaat hier om potentiële bondgenoten in de strijd voor een meer humane samenleving die wij onrecht aandoen en van ons vervreemden wanneer vanuit het humanisme religie voortdurend in verband wordt gebracht met intolerantie en bijgeloof.’ De humanistische afkeuring van hedendaagse cultuuruitingen als Idols of mediapersoonlijkheden met een ‘dik-ik’ is niet wezenlijk verschillend van de roep van religieuze moraalridders. Het aanschurken tegen de groepen die geloven in hogere machten gaat zelfs zo ver dat de Universiteit voor Humanistiek een bijzonder hoogleraar Bijzondere Ervaringen (parapsychologie) heeft aangesteld. Daarnaast heeft zij geprobeerd de opleiding tot imam en die tot islamitisch geestelijk verzorger (in samenwerking met de Islamitische Universiteit) binnen te slepen. De organisatie heeft bovendien een mede door Hivos (humanistische ontwikkelingshulp) gefinancierde bijzonder hoogleraar aangesteld op het gebied van humanisme en islam. De belangstelling voor de islam als partner zorgde enige jaren geleden voor commotie toen op een bijeenkomst van internationale humanisten leden van de Nederlandse delegatie niet zonder meer akkoord gingen met een verklaring tegen de sharia.
De Humanistische Alliantie vaart dezelfde pro-religieuze koers, zoals vorige maand bleek uit het thema van de alliantiedag ‘Humanisme en religie voor humaniteit’. Volgens voorzitter Lodewijk de Waal heeft de strijd tegen de religieus onverdraagzamen plaats gemaakt voor de strijd tegen de sociaal-moreel onverdraagzamen. Het gaat hem om de aanhang van Wilders en de LPF. Hiermee bouwt De Waal voort op de visie van een aantal auteurs van de eind vorig jaar gepubliceerde WRR-verkenning Geloven in het publieke domein, die vrezen dat hedonistische nihilisten, ook genoemd niet-religieuzen/niethumanisten, tot eigenrichting en ondemocratische excessen zullen vervallen. Zij verwezen in dit verband waarschuwend naar Duitsland in de jaren dertig. Maar Fortuyn was geen anti-democraat en Wilders is dat ook niet. De these dat levensbeschouwing bescherming biedt tegen populisme en potentieel fascisme, een opvatting die ook door paus Johannes Paulus II werd verkondigd, is achterhaald. Traditionele religies en levensbeschouwingen hebben geen patent op moraal. De gemiddelde Nederlander staat buiten een georganiseerde levensbeschouwing maar is desondanks niet verworden tot een immorele materialistische egoïst noch tot een wandelende existentiële crisis -wat de kerken en humanisten met hun paniek over onverschilligheid en doorgeslagen vrijheid ons ook willen doen geloven.

Het is voor humanisten behalve inhoudelijk ook strategisch onverstandig om in te zetten op de samenwerking met christenen en moslims. Het is zeer de vraag of de gekozen bondgenoten die samenwerking wel zien zitten. Bij de presentatie van het opinieonderzoek God in Nederland, dat vorige maand werd aangeboden aan premier Balkenende, werd door de aanwezige christenen met geen woord over de humanisten gerept, terwijl de ‘ongebonden spirituelen’ wel vertegenwoordigd waren. In 2005 kaapte de Vrije Universiteit de imamopleiding weg. De pogingen van de Universiteit voor Humanistiek om daarna een andere opleiding tot islamitisch geestelijk werker door de overheid gefinancierd te krijgen en om, toen dat niet lukte, een opleiding voor alevieten in het leven te roepen, doen vermoeden dat de humanisten zich voor hun bestaanslegitimatie ook in financieel opzicht te afhankelijk hebben gemaakt van hun religieuze concurrenten op de levensbeschouwelijke markt. Dat laat zich overigens voor een deel verklaren uit de geschiedenis van de beweging. Zo heeft het Humanistisch Verbond, om de oprichting van de Universiteit voor Humanistiek mogelijk te maken, de overheid in 1986 verzocht als kerkelijke instantie erkend te worden. Precies dit verzuilde denken over religie en levensbeschouwing, dat achter die keuze schuilging, is anno 2007 achterhaald. Religies kampen met dezelfde legitimatieproblemen en identiteitskwesties. 60 procent van de Nederlandse bevolking is buitenkerkelijk. 58 procent van deze groep is agnost of atheïst. Het humanisme mag zich de tweede levensbeschouwing van Nederland noemen. Volgens God in Nederland beschouwt ongeveer 10 procent van de Nederlanders zichzelf als humanist. Volgens de  WRR-verkenning Geloven in het publieke domein betreft het zelfs 30 procent. Maar het humanisme in Nederland zou er goed aan doen zich niet langer als een surrogaatreligie zonder feestdagen te gedragen. Als iets uit zowel de WRR-verkenning als uit God in Nederland blijkt, is het de gehechtheid van de meeste buitenkerkelijken aan de vrijheid om zelf zin te geven aan het leven. Bemoeienis op dit gebied van overheid of kerk wordt als ongewenst ervaren. De kernopdracht van het humanisme ligt dan ook niet op het gebied van modieuze zweverige thema’s als levenskunst, transcendentie en spiritualiteit maar in het bewaken van het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat, het bepleiten van een seculiere neutrale staat en de bescherming van het individu. Daarbij valt te denken aan het aanjagen van het debat over de vrijheid van meningsuiting en de inzet voor vrije nieuwsgaring en mensenrechten. De afschaffing van het door de staat gesubsidieerde bijzonder onderwijs (inclusief de Universiteit voor Humanistiek) zou eveneens een doel moeten zijn.

Een positief voorbeeld geeft de Humanistische Omroep die het naar binnen gekeerde verzuilde denken van zich af probeert te schudden, om plaats te geven aan actuele debatten waarin iedere kritische stem gehoord mag worden – ook stemmen die kritisch zijn over het humanisme. Het zou de humanistische beweging goed doen om meer naar deze parel aan haar kroon te kijken. Anders zullen de humanisten door hun naar binnen gekeerde zelfgenoegzaamheid en kritiekloze lippendienst aan allerlei religieuze bewegingen, zonder al te veel kabaal ten onder gaan. Dat zou, gelet op de aardige geschiedenis van deze beweging van buitenkerkelijken in Nederland, best spijtig zijn.

Amanda Kluveld is historicus en docent aan de Universiteit van Amsterdam. Rozemarijn Schalkx
studeerdeaf in de humanistiek, is columnist van de Humanist en was tot voor kortverbonden aan de Universiteit voor Humanistiek. Zij schrijft eenproefschrift over de Duitse Bondsdagdebatten over de verjaring vannazi-misdaden. De Universiteit voor Humanistiek vroeg dit jaar ontslagaan voor Rozemarijn Schalkx. Haar promotieonderzoek naar deze DuitseBondsdagdebatten over de verjaring van nazi-misdaden, zou niethumanistisch zijn, al kon de universiteit niet uitleggen waarom niet.De rechter beschikte dat Schalkx niets te verwijten viel.

mei 5, 2007
By on 20:58